Als vuistregel mogen we stellen dat een grote spoel een hoge Q factor heeft. Om in onze trilkringen te gebruiken hebben we een grote Q-Factor nodig om een goede selectiviteit te hebben.
Ik heb gekozen voor luchtspoelen van verzilverde koperdraad van 1 mm. (Als je deze niet direct kan vinden in de handel, bestaan er alternatieve oplossingen. Dikwijls bestaat de binnengeleider van TV-Coax uit dergelijke verzilverde koperdraad.
Je kan berekenen wat de verhouding van C en L moeten zijn voor een optimale Q factor voor een bepaalde frequentie (In een parallel kring is bijna alleen de Q factor van de spoel verantwoordelijk voor de totale kwaliteit van de trilkring)
Als je heel wat meer wil weten en complexe berekeningen wil over laten aan je PC dan kan je op de site http://www.veron.nl/tech/coildes.htm in een prachtig artikel van PA0PHB heel wat informatie vinden.
Als spoel wikkelen we op een boor met een diameter van 8mm (de diameter van de spoel wordt dan 8,5mm), 10 wikkelingen en we rekken de spoel uit tot 16 mm.
Voeren we die gegevens in op de eerder vernoemde site dan bekomen we volgende resultaten:
Zelfinductie is 364 nanoH +/- 5 %
Eigencapaciteit is 5 pF +/- 10 %
Q-factor is 210 +/- 50% (afhankelijk van contructie)
Spoel resoneert met extra 27 pF +/- 20% op 50 MHz (Hiervoor nemen we een trimmertje van 40 pf)
Om de praktijk aan de theorie te testen maken we een proefopstelling met de eerste trilkring uit het principe schema. (zie foto hierboven) als connectoren gebruiken we SMB types uit de sloop van de Barco racks die hun weg naar talrijke amateurs vonden in het Gentse, in principe kan je elke goede HF connector gebruiken. We plaatsen de trimmer +/- in het midden en gaan met de griddip meter de frequentie controleren.
Wonder boven wonder kloppen de metingen met de berekeningen.
Tot de volgende sessie
73 - ON7AMI
Jean Paul